Het onderzoek sluit nauw aan bij het programma ‘Zorgevaluatie en gepast gebruik’ van de partijen van het hoofdlijnenakkoord medisch-specialistische zorg. Sjoerd Repping, hoogleraar zinnige zorg, is voorzitter van dit programma en begeleidt dit onderzoek, samen met Hanna Willems van het Amsterdam UMC en Eric van der Hijden en Xander Koolman van het Talma instituut van de VU. “Een bekend voorbeeld van gepaste zorg is afwachtend beleid bij een lage rughernia zonder functieverlies. Je kunt ook opereren, maar uit zorgevaluaties is gebleken dat je patiënten met een lage rughernia de eerste drie maanden beter niet kunt opereren. Dat helpt onvoldoende en is volgens de wetenschappelijke vereniging geen gepast gebruik. Maar hoe zorgen we nu dat alle neurochirurgen in dit geval niet meer opereren? Daar kan spiegelinformatie aan bijdragen.”

Over welke spiegelinformatie hebben we het dan precies?
De Weerdt: “We willen met volumecijfers laten zien, spiegelen, hoe vaak bepaalde zorg in Nederland wordt gegeven én hoe vaak de individuele zorgaanbieders die zorg bieden. Die informatie kan hen dan inzicht geven of ze gepaste zorg leveren, of dat ze bijvoorbeeld nog te vaak opereren ten op zichte van de andere zorgaanbieders in Nederland.
Ik ga onder meer onderzoeken welke informatie we het beste kunnen weergeven om betrokken zorgverleners inzicht te geven in hun handelen en hoe we dat het beste kunnen doen. Hoe maken we spiegelinformatie effectief? Welke informatie moet je wel of niet weergeven? Van welke afzender kan die informatie het beste komen, bijvoorbeeld van de zorgverzekeraar of van de wetenschappelijke vereniging? Hoe vaak moet je die informatie geven? Koppel je dat individueel terug of in teams? Dit soort vragen wil ik in mijn onderzoek beantwoorden.”

Repping: “Vera kijkt niet alleen naar zorg waarvan we al weten dat het gepast is. We willen het onderzoek ook richten op zorg waarvan nu nog wordt uitgezocht of het wel gepast is. Er lopen honderden zorgevaluaties waarin gekeken wordt naar de effectiviteit van diagnostiek, behandeling, geneesmiddelen of bijvoorbeeld nazorg. Zodra daaruit blijkt wat gepast gebruik is, willen we daarbij meteen goede spiegelinformatie kunnen maken. Dan kunnen zorgverleners gelijk aan de slag met de implementatie van de uitkomsten uit nieuwe zorgevaluaties. Voorbeelden van lopende zorgevaluaties waarbij we dat nu al doen, zijn de behandeling van blindedarmontstekingen en van een gebroken pols bij ouderen.”

Hoe ga je onderzoeken wat ‘de beste spiegel’ is?
De Weerdt: “Het onderzoek is een mix tussen kwalitatief en kwantitatief onderzoek. Ik begin met een literatuurstudie. Daarna willen we in focusgroepen van zorgprofessionals achterhalen aan welke spiegelinformatie en manier van terugkoppeling behoefte is. Op basis hiervan gaan we spiegelinformatie ontwikkelen en gebruiken. Daarna verzamel ik data over het gebruik en effect van deze informatie. Mijn promotieonderzoek loopt tot januari 2024.”

Wat hebben zorgprofessionals aan dit onderzoek?
Repping: “Artsen, verpleegkundigen en andere zorgverleners zijn elke dag van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat bezig met patiënten, op de polikliniek of OK bijvoorbeeld. Daarbij kijken ze per patiënt vooruit, ze missen vaak het overzicht over het totaal. Daar is ook vaak geen geschikte en bruikbare spiegelinformatie voor. Als we systematisch een overzicht kunnen genereren van wat ze overall doen en of dat effectief is voor patiënten, dan kunnen zorgprofessionals hun werk gericht evalueren en keuzes maken om het anders te doen.
Zorgverleners sturen als het ware continu op een drukke snelweg en kijken waar ze naar links of rechts moeten met hun patiënt. Met spiegelinformatie kijk je even achterom, of het allemaal wel goed is gegaan, en of je nog de juiste keuzes maakt. Ook twee behandelingen met ogenschijnlijk hetzelfde eindresultaat kunnen verschillen, in prijs of in de invloed op de kwaliteit van leven van patiënten. Dat ontdek je alleen als je regelmatig terugkijkt met goede spiegelinformatie. Zo helpt deze informatie zorgverleners om de beste zorg te leveren, nu en in de toekomst.”
“Ik wil ook dat onderzoek de klinische praktijk echt bereikt en belangrijke veranderingen kan ondersteunen”, vult De Weerdt aan.

Er werken  nog twee umc’s binnen de academische werkplaats aan dit onderzoek. Hoe werken jullie samen?
De Weerdt: “We komen ongeveer één keer per maand met de drie onderzoeksgroepen bij elkaar. Ons doel is bijdragen aan implementatie van kennis over zinnige zorg of gepast gebruik in de praktijk. Mijn onderzoek richt zich op een specifieke implementatiemethode, het gebruik van spiegelinformatie. De andere onderzoeksgroepen kijken op een ander niveau naar implementatievraagstukken.”

Wanneer ben je tevreden?
De Weerdt: “Als we een handreiking kunnen maken voor hoe je spiegelinformatie kunt ontwikkelen die effectief is bij het implementeren van kennis over gepast gebruik. Ik wil inzicht creëren in hoe we bruikbare spiegelinformatie kunnen maken, gebaseerd op zinvolle indicatoren. En hoe je die informatie het beste kunt benutten in de dagelijkse praktijk.”
Repping: “Van registratielast met een onduidelijke bedoeling willen we komen tot zinvolle registratie, die helpt om de bewezen beste zorg te leveren. Zodat zorgverleners continu kunnen leren en verbeteren.”

----------------------------------------------------------------------

Wat doen koepels om  nieuwe kaders, richtlijnen of verbetersignalen te laten ‘landen’ bij het management van zorginstellingen en bij professionals? En hoe reiken professionals en instellingen naar deze nieuwe kaders, richtlijnen en verbetersignalementen bij beslissingen in de spreekkamer? Zorginstituut Nederland en het NFU Consortium Kwaliteit van Zorg onderzoeken dit in de Academische Werkplaats.